Hennie-eenzaamheid-ervaring-verhaal-790x475.jpg

Heel blij met clubje, ik voelde me zo alleen

Hennie (75)

Weet je wat het is, de hele dag zit ik hier boven en zie ik niemand. En naar beneden ga ik niet. In de huiskamer zitten alleen demente ouderen. Die zeggen ook niets. Daarom voel ik mij zo alleen en kan ik elk moment wel huilen. Heel blij ben ik dat ik nu iedere donderdagmiddag naar een clubje ouderen in een buurthuis hier in de wijk ga.

Echtparen nodigen een vrouw alleen niet uit

Eigenlijk voel ik mij eenzaam al sinds het overlijden van mijn man Joop 42 jaar geleden. Ik moest toen naar een kleinere woning verhuizen. In die nieuwe buurt kende ik niemand. Mijn dochter had wat nu ADHD heet. Met zo’n heel druk kind ga je niet snel bij anderen op bezoek. En echtparen nodigen een vrouw alleen niet uit. De vrouw van zo’n stel ziet je als een gevaar. Ze denkt dat je haar man komt afpikken. Naar de vrouwenclubjes in het buurthuis ging ik toen wel veel. Dat was wel gezellig, dus toen voelde ik mij nog niet zo alleen als nu.

Ik mis mijn dochter

Broers en zussen heb ik niet en vrienden van vroeger ook niet doordat ik veel ben verhuisd. Ik ben een geboren Amsterdammer maar ben vanaf dat ik twee was opgevoed in een pleeggezin in Scheveningen. Op mijn 17de verhuisde ik naar Arnhem waar ik werkte tot ik Joop ontmoette. Ik heb nu alleen nog contact met een vrouw uit een verzorgingstehuis waar ik met veel plezier woonde in een aanleunwoning. Maar die is nu 85 en woont een Beverwijk, dus we schrijven en bellen elkaar alleen nog. Ik voel me nu ook zo eenzaam doordat ik mijn dochter mis. Sinds ze op haar 18de van huis wegliep heb ik haar niet meer gezien. Ze nam het me heel erg kwalijk dat ze als kind naar een tehuis moest. Dat had te maken met dat ik toen al vaak ziek was.

“Ik hoorde er meteen helemaal bij. De leidster belt me nu ook regelmatig op om te horen hoe het met me gaat”

Vroeger belden ze waar ik bleef

Toen ik nog in een aanleunwoning zat en naar de gewone dagopvang ging, kon ik ook nog goed tegen alleen zijn. Ik had er altijd andere ouderen om mij heen. We dronken samen koffie en er was van alles te doen. Als ik jarig ben trek ik mij terug. Omdat ze destijds Joop twee dagen na mijn verjaardag hebben laten inslapen. Dat maakt me nog steeds heel verdrietig. Mensen zeggen wel dat ik me er overheen moet zetten omdat het al zolang geleden is, maar het blijft toch bij je. Maar als ik toen ik in die aanleunwoning zat geen koffie kwam drinken, belden ze en vroegen ze waar ik bleef. Dat helpt, want dan blijf je niet alleen zitten. Maar in dit tehuis in Amsterdam-Zuidoost heb ik dat niet. In de huiskamer beneden een praatje maken met die demente ouderen gaat niet. Dus ga ik er niet bij zitten in die bewaarplaats. Want zo noem ik het. Er gebeurt helemaal niks.

Ik zit gewoon te wachten op het einde

Geestelijk ben ik nog heel scherp. Maar door mijn spierziekte zit ik al sinds mijn 38ste in een rolstoel. Eerst in een gewone, maar doordat ik steeds minder kan nu in een elektrische. Ik heb ook een tillift nodig. Daarom moest ik bij het verzorgingstehuis waar ik woonde weg en zit ik hier op deze verzorgingsafdeling nu vijf hoog op een kamer. Naar de gewone dagopvang mag ik niet meer. Door de bezuinigingen is dat te duur, zeggen ze. Ik kan hier wel beneden in het restaurant gaan zitten, maar daar voel ik mij ook niet thuis. Daar zitten groepjes ouderen uit aanleunwoningen of van uit de wijk. Als ik ergens wil aanschuiven zeggen ze dat dat plekje bezet is. Ik voel me dan buitengesloten. Dus blijf ik maar boven, naar de radio luisteren en lezen of televisie kijken. Vroeger maakte ik kaarten en borduurde ik veel, maar m’n handen willen nu haast niet meer. Zo gaat dat al vijf jaar. Ik zit gewoon te wachten op het einde. Dat zeg ik heel eerlijk.

Effe koffie schenken en weg zijn ze weer

Mijn dokter vindt dat ik weer naar de gewone dagopvang moet. Maar volgens de leiding hier kan dat dus niet. Een tijdje terug was ik aan het eind van mijn latijn en wilde ik een einde maken aan mijn leven. Ik heb de geestelijke hulpverlening beloofd dat niet te zullen doen, maar als ik diep in mijn hart kijk, wil ik het wel. Dankzij de patiëntenvereniging praat ik nu wel makkelijker met de dokter over mijn situatie. Dat deed ik eigenlijk nooit. Als ik wel eens wat tegen een verzorger zei, dacht ik altijd direct “houd toch je mond, zo meteen krijg je de volle laag terug”. Verzorgers hebben ook allemaal haast. Geen zuster komt eens op mijn kamer binnen voor een praatje. Ja effe koffie schenken en hup, weg zijn ze weer. Het zal de generatiekloof wel zijn. En met dat ik blank ben en de verzorgers allemaal bruin. Ik ben echt niet tegen buitenlanders, beslist niet, maar dat verschil merk ik heel erg. Neem nou alleen die zelfgemaakte zwarte pietjes die ik bij Sinterklaas in mijn kamer op tafel heb staan. De vrouw die mij verzorgt, wilde mij vorig jaar niet meer komen helpen zolang ik die niet wegdeed.

Net of ik een warme deken over mij heen kreeg

Heel blij ben ik nu wel met dat ik sinds drie maanden iedere donderdagmiddag naar een clubje ouderen in een buurthuis hier in de wijk ga. Van de dokter mag ik in mijn elektrisch rolstoel niet alleen de straat op. Maar ik dacht weet je wat, ik ga het toch eens proberen. Dan maar clandestien. In dat buurthuis ben ik ook zowat de enige blanke. Oh wat druk en luidruchtig vond ik het er de eerste keer. Maar het was net of ik er een warme deken over mij heen kreeg. Zo liefdevol voelde het. Ik hoorde er meteen helemaal bij. De leidster belt me nu ook regelmatig op om te horen hoe het met me gaat. En ze gaat er voor zorgen dat ik ook mee kan met uitstapjes. Had ik dat buurthuis maar eerder ontdekt, denk ik nu wel. Want ik zou niet weten wat me nog meer kan helpen. Echt niet. Ja, wachten tot ik dood ben. (November 2016)