Al bijna een halve eeuw werkt Henny Tinga als heilssoldate van het Leger des Heils op de Amsterdamse Wallen, trekt ze er op met dak- en thuislozen, kent ze hun rauwe gezichten van eenzaamheid. Maar als ras-Amsterdamse behield ze haar smakelijke lach.
"Iemand redden lukt niet, voor hem zorgen wel"
“Je moet het vooral niet te zwaar maken en ook met een glimlach naar jezelf blijven kijken. Een ander redden lukt je niet, een beetje voor hem zorgen wel.”
Takkewijf
Bij haar thuis hangt naast de voordeur het bordje met de spreuk 'Lord help me that nothing is gone happen to me today that you and I can't handle'. In een notedop verwoordt het Henny Tinga's milde kijk op haar werk als heilssoldate: "Vaak kijk ik 's avonds bij het binnenkomen naar dat bordje en zeg ik nou Lieve Heer, hoe ik vandaag bezig was, daar kon u echt niet bij zijn." Zoals die keer dat ze zich niet kon inhouden en een verslaafde vrouw die met iedereen ruzie maakte, een takkewijf noemde: “Maar volgende week ga ik weer met haar kaasfonduen en kan ik ook verschrikkelijk om haar boosheid lachen.”
Charme
Met een vader als heilssoldaat kwam Tinga (66) al heel jong zelf bij het Leger, als hulpje van majoor Bosshardt in het Goodwill Centrum aan de Voorburgwal middenin het Wallengebied. Sinds ze daar in 1962 begon met het schenken van koffie en met het rondbrengen van pannetjes eten voor mensen in de buurt, zag ze hoe dak- en thuislozen er steeds meer uit alle hoeken van de wereld kwamen en hoe ook de drugshandel er oprukte. "Een teloorgang? Ik noem het liever verandering. Voor mij kreeg het een gezicht, ik zie de mensen waarom het gaat. Een bordeelhouder met een grote bek is ook mens die op zijn tijd eenzaam is. Al romantiseer ik zo iemand beslist niet. Maar dit werk heeft ook zijn charme, ik maak ook plezier.”
Paplepel
Het gesprek vindt plaats in het tot mini-museum verbouwde appartement van de in 2007 overleden majoor, in de Goodwillburgh, een bejaardencomplex aan de Anne Frankstraat. Temidden van een verzameling originele Anton Piecks over het werk van het Leger hangt ook een prent van Tinga als jonge heilssoldate. Tinga: "Ik ben nog opgevoed in de Leger des Heils-traditie van ‘de wereld redden’. Je moest iets voor de ander betekenen, die grondregel kreeg ik thuis met de paplepel ingegoten. Maar je kunt het nooit helemaal voor een ander oplossen. Als er iets is wat ik in al die jaren heb geleerd, dan is het dat wel.”
Soepronde
Gaandeweg kreeg ze meer taken, werd ze verantwoordelijk voor de noodopvang, gaf ze leiding aan de wijkziekenboeg de Gastenburgh en was ze nauw betrokken bij het opzetten van de opvang voor aidspatiënten. Nu ze met pensioen is, gaat Tinga als vrijwilliger nog eens in de drie weken mee op soepronde, soep, koffie en brood brengen aan mensen die op straat leven. Ook doet ze nog regelmatig ‘een bakkie koffie’ met al die buurtbewoners die ze al jaren kent en eet ze om de week met een groep alleenstaande vrouwen. Tinga: “Bij eenzaamheid heb je het in mijn werk over die hele gemêleerde groep van dak- en thuislozen. Met die mensen in extreme situaties trek ik mijn leven lang al op, wijs ze voor een stukje de weg, zorg een beetje voor ze. Dat is wat ik de afgelopen vijftig jaar ben blijven proberen te doen.”
Uniform
Ze vertelt over het oorlogsgezin waaruit ze komt. Als oudste van zes kinderen en met een moeder met een zwak gestel runde ze al snel de huishouding. Bij het Leger leerde ze haar man Koos kennen, ook een heilssoldaat. Hun drie kinderen zijn inmiddels ook vrijwilliger voor het Leger. Zelf draagt ze nog altijd het uniform van heilssoldate: “Dat hoort gewoon bij mij. Soms denk ik wel als ik in dit pak loop: be careful, wie ben je nou eigenlijk. Ik maak mijzelf niet te klein, maar je moet ook niet overdrijven. Je moet het vooral niet te zwaar maken, ook met een glimlach naar jezelf blijven kijken.”
Zoeken
In haar werk maakte ze ook een omslag door: “In plaats van mensen te willen redden, raakte ik meer geïnteresseerd in wat nou de waarde van die ander is. Ik geloof dat in ieder mens een stukje heel is, hoe kapot iemand onderweg ook door het leven is geraakt. Voor mij heeft dat met geloven in God te maken. Een ander gelooft in Allah of in de mens, dat maakt voor mij geen verschil. Als je maar op zoek gaat naar dat stukje dat in ieder mens goed is. Het heeft ook te maken met de ander accepteren zoals die op dat moment is. Pas dan kan je iemand echt in z’n zijn ontmoeten en begrijp je iets van zijn eenzaamheid.”
Onvermogen
Vaak hoort ze zeggen dat wie op straat leeft, daar zelf voor heeft gekozen. Tinga: ‘Daar heb ik moeite mee. Soms schreeuwt zo’n dakloze ook dat hij niemand nodig heeft. Maar dat is een loze kreet. Als je doorvraagt, blijkt telkens dat ze juist wanhopig verlangen naar contact, naar ergens bij horen. Net als anderen zijn ze slecht in alleen zijn. Maar door een onvermogen kunnen ze moeilijk met anderen omgaan, slagen ze er niet in relaties te onderhouden. En als je dat niet kan, dan is het in de samenleving van nu wel verduveld alleen.”
Stoofsteeg
Gehavende levensverhalen hoorde ze genoeg. Zoals van een verslaafde prostituee die naast haar zelfvernietigende gedrag ook heel mooi kon tekenen en gedichten schrijven. En van een verslaafd meisje van achttien dat terug wilde naar haar ouders in Venlo maar dat binnen twee dagen weer in de Stoofsteeg achter het raam zat. En dat van Mourat uit Libanon, die na een lang leven op straat een huisje kreeg maar nog altijd ”stikt van de eenzaamheid”. En gisteren kreeg ze een telefoontje van een dakloze man die nog op haar trouwerij was en pas sinds vorig jaar op zichzelf woont: “Hij is nu erg ziek, dus ga ik weer wat vaker bij hem langs.”
Bloem
Al die contacten hebben haar leven ook verrijkt. Tinga: “Je krijgt er heel veel voor terug. Zoals die verslaafde prostituee, die me een keer een bloem gaf omdat ze zag dat ik toen zelf over iets in de put zat. Of zoals laatst een man die mij het stoffer en blik uit handen nam om zelf de scherven op te vegen van de fles die hij kwaad kapot had gesmeten. Eerst was ik bang voor hem maar toen stond daar een totaal ander mens voor mij. En die verslaafde vrouw die met iedereen bonje maakt maar toch mee mag op ons jaarlijkse uitstapje naar de Veluwe, die doet nu hartstikke haar best om niet meteen kwaad te worden. Heel aandoenlijk allemaal.”
Heroïne
Ze kwam er als heilssoldate snel achter dat eenzaamheid en verslaving ook in de beste kringen voorkomen. Tinga: "Van een keurig Surinaams gezin raakten alle drie de zonen verslaafd aan heroïne. Die heb ik in een paar jaar tijd alle drie begraven. En vijf jaar lang bezocht ik iedere week een welgestelde dame die sinds de dood van haar man alleen in een kolossaal pand aan de Singel woonde. We vertelden elkaar dan over onze totaal verschillende levens. Vlak voor haar dood zei ze tegen de dominee dat die ‘jonge dame van het Leger des Heils’ haar eenzaamheid voor een deel had weten op te lossen.”
Spiritus
De laatste jaren krijgt Tinga op een soepronde vooral Oosteuropeanen aan de bus: “Tot mijn verbijstering zag ik er laatst een die spiritus dronk, net als vroeger ome Paultje en ome Daan.” Ook loopt ze op tegen kansarme jongeren die veel softdrugs gebruiken: “Die missen straks in de maatschappij dus ook de aansluiting.” En ze signaleert een grote toeloop bij de ‘Bij Bosshardt’-buurtsteunpunten waarvan Amsterdam er inmiddels vier telt: “Vooral ouderen komen er op af voor een kop koffie en wat gezelligheid. Je ziet gewoon dat steeds meer ouderen tegenwoordig weinig contacten om zich heen hebben.” Stoppen met haar werk voor het Leger is niet aan de orde: “Zolang ik het leuk vind, ga ik ermee door. Het is ook geen werk, eerder een levenshouding.”
Paul Hazebroek

